vrijdag 18 mei 2012

Illusies

De trein schommelde door het trage Gelderse landschap. Kilometers bomen. Bos en militair terrein. Ik reisde tweede klas omdat ik altijd tweede klas reis. Het was een oude vertrouwde koploper en ik zat in het midden van de coupé. In een vierzits, twee van die bankjes tegenover elkaar. Warmte worstelde zich via de open raampjes naar binnen. De airco draaide wel, maar kon er niet tegen werken. Misschien was het nog te vroeg in het seizoen. Dat was het ook. Eerste week van maart en de zon brandde met ruim vijfentwintig graden op ons stukje aarde.

"Hoort die baret niet op uw schouder?" De man tegenover me knikte naar het tafeltje waar mijn baret lag. Ik haalde mijn schouders op en zei dat een irritante gewoonte te vinden. Als hij in de weg lag kon hij aan de kant. Dat was dan niet nodig. Het oefenterrein kon er de oorzaak van zijn, maar de man zat duidelijk te zoeken naar een gespreksopening. Hij was in dienst geweest. Iedereen van die leeftijd was in dienst geweest dus stelde ik de vraag die ik altijd stelde. Ede luidde het antwoord. Ik was niet in dienst geweest, daar was ik nog te jong voor, maar ik had genoeg verhalen gehoord om er over mee te kunnen praten. Ik hoorde een paar sterke verhalen aan, anekdotes van hemzelf, van anderen en vast ook een paar verzonnen. Zonder anekdotes hoor je er niet bij.

Een kwartier verder bedankte hij me. Vanuit het niets. Voor het werk wat we deden. Ik voelde me ongemakkelijk. Ik zat er keurig bij. Dagelijks tenue met jas en een totaal overbodige regenjas hing aan het haakje achter me. Mijn lintjes zaten recht, in de juiste volgorde en mijn rangtekens waren smetteloos. In mijn schoenen kon iemand zijn spiegelbeeld zien en mijn broek zat zo scherp in de vouw dat het niet veel scheelde of ik was gewapend. Onberispelijk uiterlijk en nu zat een zwetende man in een overhemd en een korte broek mij te bedanken voor iets wat anderen deden of hadden gedaan. Ik was nooit uitgezonden, maar dat was niet iets wat ik op dat moment kon zeggen. Leek mij tenminste. Het was mij ook nog niet overkomen. Nederlandse militairen worden niet bedankt. Het zijn sulletjes, want wat stelt het leger nu eenmaal voor, en sulletjes bedank je niet.

Ik ging wat mee in de woorden van mijn overbuurman. Het omroepsysteem kraakte wat en de conducteur vertelde iets wat ik niet kon verstaan, maar ik kende het riedeltje. Het volgende station was Utrecht Centraal en er stonden daar tig treinen te wachten tot we zouden overstappen. Ik pakte de baret, zette hem op mijn hoofd en tilde mijn jas van het haakje en stond op. De man volgde mijn bewegingen. Ik keek om, controleerde of ik niets vergat; klopte op mijn zakken; en knikte naar de man. Hij knikte terug, spande zijn schouder aan, besloot gelukkig niet te salueren en bedankte me nogmaals. Ik glimlachte en vroeg hem de prins te bedanken. Hij fronste "Bernhard?". Ik schudde mijn hoofd. "Carnaval. Hij laat mij ieder jaar dit uniform aantrekken."

dinsdag 17 april 2012

Flarden - 2

Alleen heb ik dat recht niet en is dat ook niet verbazingwekkend. Tegenover al dat prachtige, lichtsgeweld kan ik niets dan duisternis plaatsen. Twee bruine, brakke wateren met zo'n draaikolk in het midden. Zo een die men vroeger op kaarten tekenden als ze bij God niet meer wisten wat ze aan het doen waren. Een toestand die mij zeer bekend voorkomt. Je kunt verzuipen in die draaikolken, maar dat klinkt wonderwel nog positiever dan het is. Verdrinken willen we in ijsblauwe poelen of azuurblauwe oceanen. Verdrinken willen we in schoonheden; niet in moerassen.

zondag 15 april 2012

Flarden

Soms dan komen er flarden uit een verhaal omhoog. Flarden van een verhaal waarvan de rest nog niet bestaat. Dit is zo'n flard: bij deze dus.

Haar ogen zijn prachtig glazig. Of nee, dat heeft een nare bijsmaak; ze zijn van kristal. Fonkel wit, en helder kristal met een zachte ijsblauwe gloed in het midden. Knallers zijn het. Echte, glinsterende knallers die mij van mijn stuk hebben weten te brengen en die op mijn eigen netvlies gebrand staan. En in een eeuwig durende knippering staat mijn tijd stil, dooft het licht dat ze uitstralen en probeert mijn iris te wennen aan de duisternis. Maar dan verschijnt het weer, eerst gefilterd door wimpers, maar dan weer zonder schroom. Mijn ogen knijpen zich samen, niet bestand tegen het geweld van licht. Als ik het kon, als ik het zou mogen, zou ik haar verbieden om te slapen; verbieden om ons, om mij in deze duisternis achter te laten.

vrijdag 6 april 2012

Endeavour Hoofdstuk 1: Crisis - 4


Emerson bleef staan en keek de tank na. Hij was niet op de hoogte van het plan dat zijn land had om de staat te bevrijden, maar hij zou melding moeten maken van de tanks.

                   Eenmaal in zijn kamer aangekomen pakte John een kistje uit zijn koffer en hield het voor zijn oog. Een laser scande zijn iris en klikte een klepje open waar een wit oplichtend vakje wachtte op zijn warme vingerafdruk. Beide identificaties werden geaccepteerd en de communicatiemodule klapte open. Emerson toetste een code in en maakte contact met een controlesatelliet die kilometers boven hem over kwam razen. De satelliet bevestigde zijn code en verbrak de verbinding. Emerson toetste vervolgens de code in van zijn contactpersoon op hetzelfde moment de bevestiging van de verbinding zou ontvangen. Zonder die bevestiging geen verbinding, zonder verbinding geen informatie en, voor Emerson nog belangrijker, geen ondersteuning. Hij typte zijn bericht in, versleutelde het geheel en zond het richting de ontvangstpost in de bossen van Washington en Emerson ging in gedachten het proces af dat zijn bericht zou doorlopen. Een printer, die dag en nacht stond te zoemen zou zijn bericht gecodeerd uitspugen. Een technicus zou het meenemen naar het einde van de gang waar het ingevoerd zou worden in de een op zichzelf staande computer. Die zou het bericht decoderen en ditmaal zou het in begrijpbare taal geprint worden. Ouderwetse buizenpost bracht het bericht vervolgens naar de analisten en naar het centrale archief. Twee kopieën die de eerste vijf jaar maar door een zeer beperkt aantal mensen gelezen zouden worden. John hoopte dat de juiste mensen daar bij zouden zitten. Hij versleutelde zijn zender weer en borg deze op. Zijn vakantie zat er op en de Chinezen hadden in eerste instantie de garantie gegeven dat toeristen het land normaal zouden mogen verlaten. De volgende dag zou John de proef op de som nemen.

maandag 2 april 2012

Endeavour Hoofdstuk 1: Crisis - 3

Hugo werd tegen half 8 wakker van zijn wekker. Hij sliep iedere ochtend een beetje uit en werkte iedere avond iets langer door; een gunst die de mensen die zijn schema maakten hem gunden. En dat mocht ook wel, want ook met die luxe werkte hij minimaal 10 uur per dag, zeven dagen per week en het moordende tempo deed hem denken aan de Zomerweken van zijn rechtenstudie waarin de energiedrank niet was aan te slepen. Nee, de president deed qua uren niet onder voor mensen die ruim vijf maal zijn salaris kregen, maar torende daarentegen qua macht ruimschoots boven iedereen uit. Vandaag was een uitzondering op zijn schema net als de paar dagen ervoor al uitzonderingen geweest waren. Het was inderdaad half acht, maar niet in zijn tijdzone.

Oorlog was al een paar jaar geen echt mensenwerk meer had John Emerson ontdekt. Onbemande vliegtuigen vochten tegen onbemande vliegtuigen en slimme torpedo’s vochten tegen de vliegkampschepen waar die vliegtuigen vanaf vertrokken. Eén ding bleef echter onmisbaar: menselijke ogen. En dus vond John Emerson zichzelf op de koude grond van Anchorage terwijl hij door een verrekijker lag te kijken. Hij observeerde Chinese militairen die een paar honderd meter verderop bezig waren om een groot transportschip uit te laden. Voornamelijk ondersteunend materiaal voor zover hij de kisten, zakken en containers kon onderscheiden. Nauwelijks de moeite om over naar huis te bellen, maar dat was nu eenmaal wat ze hem hadden opgedragen. Emerson pakte dus de verrekijker in en wandelde de paar kilometer terug naar zijn hotel. Onderweg zag hij hoe militairen bezig waren met het opzetten van checkpoints op kruisingen en in de buurt van regeringsgebouwen. Een onwerkelijke situatie die nog onwerkelijker werd toen de eerste tank voorbij kwam. Hij stond nog op een trailer en de type 99 was een oud beestje, maar het bleef bijna zestig ton ellende die voorbij dreunde.

vrijdag 30 maart 2012

Endeavour Hoofdstuk 1: Crisis - 2


Er werd echter veel gedaan waardoor de landen in de oorlog kwamen. China bezette Taiwan, viel het herenigde Korea aan en, als een van de laatste drie landen met kernwapens, bedreigde iedereen die in de weg liep met nucleaire winter. Tot dan toe niets verrassends hoor ik u zeggen en dat klopt ook. Niets van wat ik u vertelde staat niet ook in de geschiedenisboeken. Maar wat de boeken vaak vergeten is dat de Verenigde Staten lang niet zo sterk stonden als dat algemeen wordt aangenomen. Van Dosselaer erfde een land dat zichzelf kapot had gemaakt en waarin alles simpelweg op was. De eerste besluiten die hij had moeten nemen gingen over simpele dingen als het licht laten branden, auto’s en vrachtwagens laten rijden. Mensen aan het werk houden. De VS hadden een eeuw lang vooral stilgestaan en zichzelf op de borst geklopt. En in de jaren dat ze niet stilstonden holden ze voornamelijk achteruit. Hard achteruit. Van Dosselaer leidde een grootmacht van fanatiekelingen, maar wel een van onbewapende fanatiekelingen. De invasies in Azië brachten de verse president in een lastig pakket. Hij moest reageren op de aanval op bondgenoten, maar kon zich dit tegelijkertijd ook niet veroorloven. Het volk schreeuwde toen ook nog niet om actie, dat kwam pas met de annexatie van Alaska. Het kleine restje olie dat het land nog bezat was goed verborgen onder de kou van de koude staat en was dus van groot belang. De fanatiekelingen bekommerden zich minder om tactiek en meer om hun collectieve woede. Van Dosselaer had geen keuze meer en het begin van de derde wereldoorlog was een feit. Het leger, dat flink had moeten inkrimpen, bestond nog uit ongeveer een miljoen beroepssoldaten. Daarnaast was het aantal reservisten wel gegroeid, maar een soldaat zonder een geweer is geen soldaat. Alaska zou lang moeten wachten op de bevrijding.

maandag 26 maart 2012

Endeavour Hoofdstuk 1: Crisis - 1


Hoofdstuk 1: Crisis
De Verenigde Staten van Amerika kozen in 2124, na 32 jaar van Republikeinse overheersing eindelijk weer eens een Democraat in het Witte Huis. Het land was geen schim van wat het ooit geweest was en iedereen wist dat. Jack Milligan werd op 7 november uitgeroepen tot winnaar van de verkiezingen en op 20 januari 2125 ingezworen als 61e president van de Verenigde Staten. Tot dan toe was President Harrison de kortst zittende president geweest, maar slechts drie dagen nadat de familie Milligan het Witte Huis betrok stierf President Jack. Slechts enkele uren later werd vicepresident Hugo van Dosselaer ingezworen en degenen onder u die de geschiedenis een beetje kennen weten dat het die bewuste 24 januari was dat de ellende pas goed begon.
Milligan had campagne gevoerd op economische punten zoals iedere kandidaat die hem de afgelopen eeuw voor was gegaan. Dus toen Van Dosselaer aantrad had dat het voornaamste onderwerp moeten worden van zijn eerste persconferentie. Een dure fout van een vertaler veranderde de wereld echter in één klap. President van Dosselaer had twee dagen na zijn aantreden een persconferentie belegd die opgesteld zou worden voor iedere journalist die door de controle zou weten te komen. Verwacht werd dat de aantallen in de duizenden zouden lopen en lang niet alle journalisten voldoende Engels zouden spreken. Enkele tientallen tolken werden aangesteld om het geheel voor iedereen verstaanbaar te maken. Daaronder ook een Chinese tolk voor het tiental Chinezen dat door secret service als ongevaarlijk genoeg werd beschouwd. De marathonsessie nam uren in beslag en werd per taal afgewerkt. Een onschuldige vraag over duurzame energie leidde tot een verspreking van de tolk die daarmee een journalist beledigde. De opgefokte reactie van zowel de journalist als de toegesnelde agenten veroorzaakten een diplomatiek relletje dat algauw uitmondde in sterke taal en borstklopperij aan beide kanten. Weinig was er nodig om de beide landen tot oorlog te brengen.