dinsdag 17 mei 2011

Verlaten XXXVIII

Er volgde een rustige periode. We hadden het beide zowaar druk met werk - Ik verscheen weer eens op kantoor. - Het was de sterfdag van haar vader, altijd een moeizame dag waarop ik mij ongelofelijk nutteloos voelde. Niet in de laatste plaats omdat ik dat blijkbaar ook was. Ik had de man nooit gekend en kon dus niet inschatten wat ze miste. Bovendien leven mijn ouders nog. Alles wat ik kon overbrengen was empathie en een hoop fantasie over hoe zoiets moest zijn. Ondoenlijk natuurlijk. Maar ik zou aan het einde van de dag aankomen in de stad - en ik was weer weg van kantoor - dus ging ik bij haar langs. Ze voelde zich al snel opgesloten in het huis en dus pakte ze haar autosleutels en vroeg me om mee te gaan. Een stukje rijden. Ze reed behendig, soms een tikje krankzinnig, door het drukke verkeer en het duurde, voor plaatselijke begrippen, dan ook niet lang voordat we de stad uit waren. Ze reed naar het Noorden, de heuvels in. Ik vroeg of ik iets kon doen, achteraf ook geen handige vraag, maar ik kreeg te horen dat ik niets kon doen. Alleen daar zitten had ook geen zin mijns inziens. Dus werd er weer over en weer gemopperd tot de auto stil werd gezet en ik terug kon lopen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten